De dertigjarige oorlog in het Lasterbachdal

Ook het hoge Westerwald werd in de verwarring van de dertigjarige oorlog hard getroffen.
 
Omdat de graven van Nassau de gunst van de keizer verloren hadden, werd het land van Nassau door de keizerlijke troepen ernstig geschaad, vooral in de periode van 1622 tot 1629.
Rond 1619 had een Beiers legeronderdeel, uit Keulen komend, de dorpen al uitgehongerd en geplunderd.
 
In 1622 vielen ook enige regimenten van Graaf Tilly het land van Hadamar binnen en kwartierden zich in het Westerwald in.
Aan de Spaanse ritmeester Perry, die met zijn troepen in juni 1623 in Wetzlar gelegerd was, moest het Graafschap Hadamar elke week 520 kg haver, 80 centenaar hooi en 240 bundels stro leveren. Bijzonder gevreesd waren de troepen van de keizerlijke overste Görzenich. De boodschap: “Görzenich trekt door het gebied!” was en schrikbeeld. De overste trok tussen 1626 en 1628 driemaal door het Westerwald.
 
In 1631 viel een regiment uit Dillenburg, dat in Zweedse dienst getreden was, ons gebied binnen. Zij waren verbitterd over het land van Hadamar omdat de bevolking kort daarvoor katholiek geworden was. In 1631 werd de kerk in Elsoff door deze horde geplunderd en het interieur verwoest.
 
Zweden en Hollanders trokken in de periode van 1632 tot 1635 door het land. In september waren bijna alle geestelijken uit het land van Hadamar gevlucht en de kerken waren verwoest en stonden leeg. Een bijzonder onverschrokken man moet pastoor Johannes Eschweiler geweest zijn.Over hem bericht de Jesuietenkroniek uit Hadamar: “Tegen het einde van het jaar had geen enkele pastoor meer vaste voet in zijn parochie; allen waren als vluchteling hier in de stad of elders. Alleen Gabriël Cuno was nog op zijn post als pastoor van Frickhofen en Johannes Eschweiler in Elsoff. De laatste had deels in het bos en deels in de muren van het vervallen kasteel Mayenburg zijn woonplek ingericht, van waaruit hij onder de bescherming van de nacht zijn kudde bezocht.”
 
Op een andere plek staat in de kroniek: “Eind 1633 was de vorst enkele dagen met zijn complete hofhouding in Mengerskirchen op jacht. Onze jagers schoten enkele herten. Vanaf hier reden we op zondag 9 september naar Elsoff. Ik deed zelf de dienst en preekte, en de hele hofhouding was in de kerk aanwezig. Op 2 oktober bracht vervolgens pastoor Johannes Eschweiler uit Elsoff en tegenbezoek en bleef bij ons overnachten. Telkens als ik aan deze man denk, word ik ook aan de martelaren van het concilie van Nicea (het huidige Antakya) herinnerd.

Johannes Eschweiler kwam vanuit Luthenburg hierheen en werd pastoor van Elsoff op 17 maart 1632. Hij maakte alle stormen van de dertigjarige oorlog mee en hij week niet van zijn post. Dikwijls kwam hij hierheen, slechts in een hemd gekleed, en onze vader Johann Ludwig bedekte zijn naaktheid en voedde hem aan zijn tafel. Met een zak vol levensmiddelen op zijn schouders verliet hij de stad en ging weer naar zijn kudde.

Heel vaak moest hij voor langere tijd in het bos wonen en bezocht ’s-nachts vanuit zijn schuilplaats de zieken in zijn gemeente. Door zijn ondergane mishandelingen had hij littekens over zijn hele lijf. Hij is nu meer dan 31 jaar pastoor van Elsoff en heeft jarenlang ook de parochie Mengerskirchen waargenomen.
 
Deze kroniek vermeldt verder dat in 1632 in Mittelhofen erg veel mensen aan de pest gestorven zijn. In het jaar 1635 bericht Wagner: 

“In dit jaar werden de arme bewoners in het Westerwald door de Zweden op hun zwerftochten zwaar geteisterd. De vertwijfeling dreef hen tot zelfverdediging; men bezorgde zich wapens en sloot verbonden met buurgemeentes, om elkaar in geval van nood bij te staan. Op het kerkhof van Elsoff hadden de inwoners zich met al hun vee en hun hele bezit in de beschutting van de versterkte muren verschanst, toen gemeld werd dat een Zweeds commando in aantocht was. De Zweden kwamen uit Mengerskirchen en hadden het vooral op het vee voorzien. Maar de wakkere Elsoffers ontvingen hen met een zodanig heftig musketvuur dat zij met achterlating van een aantal doden en gewonden ijlings weer omkeerden.”

De jaren 1636, 1637 en 1638 verliepen voor onze geboortestreek wat rustiger. In 1637 werd over een grote hongersnood bericht. De mensen bakten broden uit eikels, hennepzaden en wortelen en voedden zich verder met geslachte honden, katten en vogels, en vaak zelfs met muizen en ratten.

In 1639 trokken de Zweden vanuit het zuiden op en hielden verschrikkelijk huis in de katholieke landen. Veel dorpen gingen in vlammen op, zoals Frickhofen, Dehrn, Steinbach en Westernohe.

Tegen het einde van 1640 trokken de Zweden verder en was het een poos rustig in het land van Hadamar.

In 1646 kwam tenslotte de laatste grote opmars van krijgsvolk in het Westerwald. Het keizerlijke en het Beierse leger veranderden ons gebied in een reusachtige legerplaats en vernietigden het laatste wat in de voorgaande oorlogsjaren gespaard gebleven was. Het hele Duitse volk zal een zucht van verlichting geslaakt hebben toen het bericht zich verbreidde dat er weer vrede in het land heerste.

Bron: 750 Jahre Elsoff / 500 Jahre Mittelhofen

De dertigjarige oorlog in 
het Lasterbachdal

Kirche ElsoffBrunnen ElsoffKapelle MittelhofenLasterbachschule

fahne DeutschlandNL

meine Stad
Plan von Elsoff
 
Besucherzähler
 
 
 
Email an die Webmasters
 
Letze Aktualisierung
Dienstag, 6. Januar 2009